De Raad van Beheer schrijft in haar mailing aan de rasverenigingen het volgende:
"Van elke hond moet duidelijk zijn of hij gezondheidsonderzoeken heeft ondergaan en wat de uitslag hiervan is. Voor fokkers en kopers moet de drempel laag zijn en de informatie transparant. Dit zal worden gerealiseerd door een functionaliteit op de website. Door het intoetsen van het NHSB nummer worden alle gegeven van de hond zichtbaar. Persoonsgegevens zijn hier niet zichtbaar. De verwachting is dat dit project begin 2012 gerealiseerd is."
http://www.nvjrt.nl/Raadar/Raadar_Fokbeleid_Oktober2011-1.pdf
Op dit blog communiceert de commissie google van de CockerSpanielClub wetenswaardigheden m.b.t. honden in het algemeen en de gezondheid van Engelse Cockers in het bijzonder.
zondag 20 november 2011
dinsdag 15 november 2011
Lichtpuntje: Gentesten voor heupdysplasie
Heupdysplasie (HD) komt ook bij onze cockers voor, gelukkig leidt HD bij de cockers niet zo vaak tot ernstige (pijn)klachten. De cocker is namelijk een relatief lichte hond en hoeft niet zoveel extra gewicht mee te sjouwen (in tegenstelling tot grotere zwaardere rassen die met eenzelfde HD-score zwaar in de lappenmand zouden zitten).
Luc Peelman (schrijver van het boek "erfelijke afwijkingen bij de hond") stelt dat HD een multifactorale afwijking is: dat wil zeggen dat er genetische en milieufactoren een rol spelen bij het ontwikkelen van HD. In zijn lezing zegt hij dat honden met genetisch goede heupen geen HD zullen krijgen (hoe beroerd de milieuomstandigheden ook zijn) en dat het bij honden met genetisch mindere heupen afhankelijk is van die omgevingsfactoren. Tot voor kort was er nog niet zoveel bekend over die genetische vererving van HD.
Een van de factoren die bij HD getest wordt is de Norbergwaarde. Honden met een te lage Norbergwaarde hebben ondiepe heupkommen en/of een slechte aansluiting van de gewrichtsdelen. Een hoge Norbergwaarde geeft nog geen garantie op een goede HD-score, zoals gezegd: de Norbergwaarde maar één van de factoren die meespelen bij HD.
Wij willen U graag op de hoogte brengen van een doorbraak waardoor het misschien in de toekomst mogelijk is om een risico-analyse te maken voor de Norbergwaarde op basis van het DNA.
In 70% van de gevallen was het al mogelijk om op basis van DNA van een pup een inschatting te maken over de Norbergwaarde die ze als volwassen hond zouden hebben. De Norbergwaarde is niet het enige dan factor die meespeelt bij het bepalen van HD-uitslag, maar het is in ieder geval een beginnetje.
vrijdag 11 november 2011
Testen wij ons ras kapot door te gaan testen ?
Wij horen regelmatig van collega-fokkers dat wij, door te testen, honden uitsluiten die niet door die test komen dat we zo onze genenpool aan het versmallen zijn. Dat is onzin! Enkel door te testen ontdek je juist de zwakke punten van jou hond. Die hond is daardoor voor de fok niet minder waard (hij is zelfs meer waard omdat je weet waarop je moet selecteren) en kan worden ingezet voor de fokkerij zonder schade te doen aan het ras en de genenpool. Het kan wel voorkomen dat je daardoor niet de kruising kunt maken die je in eerste instantie op het oog had, maar gelukkig zijn er nog voldoende honden die je wel kunt gebruiken.
Er zijn veel voorbeelden te noemen waar fokkers hun kop in het zand hadden gestoken en niet testen (of de resultaten negeerden, door te zeggen dat het toch nooit voorkomt in ons ras) en die toen het al te laat hun honden uit de fok moesten nemen. Dat is pas funest voor de genenpool!
Een goed voorbeeld daarvan is HD-testen: vroeger werd dat in Nederland weinig gedaan gevolg was wel dat er erg veel cockers rondliepen met slechte heupen. Sinds we HD-testen zijn de uitslagen een stuk beter geworden dan vroeger, omdat nu een hond met HD-C gekruist werd met een een vrije hond. Als resultaat zien we tegenwoordig zelden meer scores van D of erger. Dit is de manier om afwijkingen uit te fokken met weinig gevolgen voor de genenpool. Juist door te testen is ons ras beter geworden.
Op dit moment geeft Engeland, de bakermat van ons ras, aan dat het toch belangrijk is om goniodysplasie in de gaten te houden in ons ras. Navraag bij een oogarts leert dan er ook in Nederland Cockers met glaucoom zijn.
De CSC vindt het daarom belangrijk dat onze fokhonden zoveel mogelijk getest worden om hun fokwaarde goed te kunnen inschatten zo de kans op mogelijke afwijkingen in de kiem te smoren.
maandag 7 november 2011
Mamma-tumoren
Cockers hebben volgens de wetenschappers een verhoogde kans op borstklier kanker. Er zijn geen absolute cijfers over deze mamma-tumoren bekend, maar Cockers blijken een 2,1 x zo grote kans te hebben dan andere honden. Gelukkig gaat het in 50% van de gevallen om goedaardige gezwellen. Vermoedelijk wordt het bepaald door verschillende genen en omgevingsfactoren. De twee genen die ook bij de mens verantwoordelijk zijn voor een erfelijke vorm van borstklierkanker, hebben ze ook teruggevonden bij Springer Spaniels (de grote broer van onze Engelse Cockers) met mamma-tumoren. Maar het goede nieuws is dat er ook een gen ontdekt is dat beschermd tegen borstkanker. Die bescherming zit in het MHC (Major Histocompatibility Complex): dat hier op dit blog al eerder ter sprake kwam in het item “lang zullen ze leven”.
http://cockerspanielclub.blogspot.com/2011_10_14_archive.html
http://cockerspanielclub.blogspot.com/2011_10_14_archive.html
De CSC gaat navragen of er mogelijkheden zijn voor een DNA-test. We houden U op de hoogte van de voortgang.
zondag 6 november 2011
Onderzoek naar gedrag van de gedomesticeerde hond
De googlecommissie heeft een wetenschappelijk artikel gevonden over hondengedrag (ethologie met een duur woord) van gedomesticeerde honden. Dit artikel dateert al van 1997, maar heeft nog niets aan actualiteit ingeboet.
De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat het domesticeren van de hond in een ver verleden, waarschijnlijk zo eenvoudig is gegaan omdat een hond graag als sociale eenheid wil optreden met een mens. Dat geldt niet voor alle dieren. Vergelijk bijvoorbeeld paarden, die als veulen altijd weer in meer of mindere mate getemd moeten worden. Voor honden geldt dat niet. De veronderstelling is dat honden waarschijnlijk genetisch geprogrammeerd zijn om te interacteren met mensen. Wel zijn er verschillen tussen verschillende rassen in de mate waarin een hond genetisch ingesteld is op samenwerking met mensen. Maar over het algemeen vormen honden zeer gemakkelijk een band met mensen. Dat zal, volgens de onderzoekers, ook wel te maken hebben met individuele ervaringen die honden hebben met mensen en dat doorgeven aan hun nakomelingen.
Wat de onderzoekers bijvoorbeeld onderzocht hebben is de mate en de manier waarop honden mensen uitdagen om te gaan spelen. Wanneer dit spelen van de hond uitgaat, dan concluderen de onderzoekers dat de hond dus de aanzet geeft tot bandvorming en samenwerking. Zij hebben niet veel verschillen kunnen constateren tussen verschillende rassen, of tussen de sexen en de leeftijd. Wel hebben zij aangetoond dat honden die van 'baas' veranderen, vaker uitdagen tot spelen. Hun conclusie is dat de hond dus moeite doet om een band te vormen.
Verder hebben de onderzoekers onderscheid gemaakt tussen honden waarmee 'gewerkt wordt' en honden die als 'huisdier' worden gehouden. En dan blijkt dat naarmate het 'huisdier' meer als onderdeel van de familie wordt beschouwd, de hond meer sociaal gewenst en sociaal afhankelijk gedrag vertoond. Deze honden zijn en doen en denken minder zelfstandig. Zij zijn dus meer afwachtend en afhankelijk in gedrag van wat de baas wil en goedvindt. Honden waarmee gewerkt wordt zijn meer afstandelijk en meer onafhankelijk in gedrag. Het gedrag van de baas is in het 'huisdier' geval dus van grote invloed op het gedrag van de hond.
Die laatste conclusie kan dus een insteek zijn waarom mensen met 'huisdieren' minder van hun hond verwachten in zelf doen en zelf denken. Honden die mogen en kunnen werken, of die zelfstandig mogen denken en doen (en probeer een Engelse Cocker daarin maar eens tegen te houden!) lijken slimmer en durven meer. Maar de bepalende factor daarbij is de mens, en niet de hond. Elke hond is slim en kan zelfstandig denken en doen, maar 'huisdier' mensen durven zelf minder.
De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat het domesticeren van de hond in een ver verleden, waarschijnlijk zo eenvoudig is gegaan omdat een hond graag als sociale eenheid wil optreden met een mens. Dat geldt niet voor alle dieren. Vergelijk bijvoorbeeld paarden, die als veulen altijd weer in meer of mindere mate getemd moeten worden. Voor honden geldt dat niet. De veronderstelling is dat honden waarschijnlijk genetisch geprogrammeerd zijn om te interacteren met mensen. Wel zijn er verschillen tussen verschillende rassen in de mate waarin een hond genetisch ingesteld is op samenwerking met mensen. Maar over het algemeen vormen honden zeer gemakkelijk een band met mensen. Dat zal, volgens de onderzoekers, ook wel te maken hebben met individuele ervaringen die honden hebben met mensen en dat doorgeven aan hun nakomelingen.
Wat de onderzoekers bijvoorbeeld onderzocht hebben is de mate en de manier waarop honden mensen uitdagen om te gaan spelen. Wanneer dit spelen van de hond uitgaat, dan concluderen de onderzoekers dat de hond dus de aanzet geeft tot bandvorming en samenwerking. Zij hebben niet veel verschillen kunnen constateren tussen verschillende rassen, of tussen de sexen en de leeftijd. Wel hebben zij aangetoond dat honden die van 'baas' veranderen, vaker uitdagen tot spelen. Hun conclusie is dat de hond dus moeite doet om een band te vormen.
Verder hebben de onderzoekers onderscheid gemaakt tussen honden waarmee 'gewerkt wordt' en honden die als 'huisdier' worden gehouden. En dan blijkt dat naarmate het 'huisdier' meer als onderdeel van de familie wordt beschouwd, de hond meer sociaal gewenst en sociaal afhankelijk gedrag vertoond. Deze honden zijn en doen en denken minder zelfstandig. Zij zijn dus meer afwachtend en afhankelijk in gedrag van wat de baas wil en goedvindt. Honden waarmee gewerkt wordt zijn meer afstandelijk en meer onafhankelijk in gedrag. Het gedrag van de baas is in het 'huisdier' geval dus van grote invloed op het gedrag van de hond.
Die laatste conclusie kan dus een insteek zijn waarom mensen met 'huisdieren' minder van hun hond verwachten in zelf doen en zelf denken. Honden die mogen en kunnen werken, of die zelfstandig mogen denken en doen (en probeer een Engelse Cocker daarin maar eens tegen te houden!) lijken slimmer en durven meer. Maar de bepalende factor daarbij is de mens, en niet de hond. Elke hond is slim en kan zelfstandig denken en doen, maar 'huisdier' mensen durven zelf minder.
maandag 31 oktober 2011
Rashond en rasstandaard
Om een rashond te fokken is er een rasstandaard. Die is er niet voor niks. Ooit zijn er mensen begonnen om een hond met een doel en een reden in elkaar te knutselen. In het geval van onze Engelse Cockers is het de bedoeling om een alert, klein en snel hondje te fokken, dat anatomisch goed in elkaar steekt, over uithoudingsvermogen beschikt en niet bang is om in dichte dekking wild op te stoten.
Hondjes die aan de uiterlijk kenmerken voldoen van de rasstandaard, zullen dan vaak ook het karakter hebben dat bij zijn oorspronkelijke werk hoort. Attent, vrolijk, will to please, werklust, actief en met goede botten en spieren. Uiterlijk en innerlijk hangen samen met het doel waarvoor de Cocker door de eerste liefhebbers is geselecteerd. En veel huidige liefhebbers, zelfs en vaak mensen die er helemaal niet meer mee jagen, houden nog altijd veel van dit type hondjes. Daarom moeten we altijd zo lachen met die ondeugden en staan we ons weleens te verbijten als ze ‘nog even een bosje moeten doen’ voordat we naar huis gaan.
Om de rasstandaard zoveel mogelijk te behouden, worden bij voorkeur honden in de fokkerij gebruikt die dicht bij de rasstandaard liggen. Vaak zullen dat de showhonden zijn met een U of een ZG. Omdat er mensen zijn die shows lopen niet zo leuk vinden, biedt de CockerSpanielClub de mogelijkheid om honden aan te keuren. Dan wordt gekeken of ze fokwaardig zijn; dat wil zeggen tenminste met een ZG binnen de rasstandaard vallen.
In sommige rassen is het rasbeeld als gevolg van hypes en trends zo veranderd, dat er eigenlijk nog maar weinig honden zijn die aan het oorspronkelijke rasbeeld voldoen. Bij zulke rassen, zoals de Engelse Bulldog, zullen misschien de G honden wel beter bij het oorspronkelijke rasbeeld passen dan degene die nu de prijzen op shows ophalen. Daar is het een beetje de omgekeerde wereld geworden.
Bij onze Cockers is dat gelukkig nog lang niet het geval. We hebben nog vele lijnen beschikbaar waar het oorspronkelijke rasbeeld goed gefundeerd is. En wanneer bij het maken van combinaties goed gelet wordt op de gezondheidsuitslagen van beide fokdieren, dan is er geen enkele reden om met een G hond te fokken.
Bij sommige rassen zijn er nog zo weinig (gezonde) honden dat inderdaad met G honden gefokt moet worden om de aandoeningen uit het ras te krijgen. Of een ras dreigt uit te sterven en dan moeten de fokkers van dat ras hun toevlucht zoeken tot fokken met G honden. Maar ook hiervan is in ons ras geen sprake. Er zijn nog meer dan genoeg zeer goede en gezonde Cockers, die ingezet kunnen worden voor de fok. We zijn in de luxueuze omstandigheden dat we nog een keuze kunnen maken voor combinaties met zeer goede en gezonde honden.
Fokkers die vinden dat er met G honden gefokt moet kunnen worden, en op vele fronten (zoals de kleuren van de vacht, de ogen en de neus enzovoorts) lak hebben aan de rasstandaard zijn naar de mening van de CockerSpanielClub niet het belang van het ras aan het nastreven, noch het in stand houden daarvan. De rasstandaard is onlosmakelijk onderdeel van een rashond. Die is ooit opgesteld om een rashond te definiëren en een ras te ontwikkelen. Het loslaten van de rasstandaard, op welk vlak ook; uiterlijk, gezondheid of karakter, draagt niets bij aan het verbeteren of in stand houden van een ras.
zaterdag 29 oktober 2011
moeilijke zaken over erfelijkheid 1
We zijn geneigd om met betrekking tot erfelijkheid nog aldoor te denken in de wetten van Mendel. Zie onderstaand voorbeeld.
Helaas wijzen nieuwe wetenschappelijke onderzoeken uit dat de meeste aandoeningen en afwijkingen juist niet Mendeliaans vererven. En met die constatering wordt erfelijkheid en fokken eigenlijk alleen maar ingewikkelder. Steeds vaker zullen we gaan zien dat niet de honden, maar de mensen het probleem worden bij fokken. Mensen moeten namelijk begrijpen waar ze mee bezig zijn, en als wetenschappers het al niet helemaal doorgronden, wat wordt er dan in hemelsnaam van 'gewone' mensen verwacht?
Op dit weblog gaat de googlecommissie proberen hele ingewikkelde kennis begrijpelijk over te brengen. We doen dat beetje bij beetje. Vandaar ook dat er een 1 in de titel staat.
Er is bijvoorbeeld nog een manier van vererven, die ook in de hondenfokkerij van belang is. Wetenschappers noemen dat de epigenetische vererving. Eva Jablonka (zelf verder googlen) legt het epigenetische verervingssysteem als volgt uit. In een gespecialiseerd organisme met vele functies, zoals honden, treedt een verdeling op in het 'werken' van een cel. Levercellen doen levercel dingen. Bloedcellen doen bloedcel dingen. En als een levercel deelt, dan zijn de beide dochters ook levercellen, terwijl ze allemaal hetzelfde DNA in zich dragen. Een levercel kan dus in potentie een bloedcel worden, maar doet dat niet. De informatie die in de levercel zit en wordt doorgegeven aan de dochter levercellen noemen we epigenetische verervingssystemen.
Eva Jablonka zegt dat elke cel gekenmerkt wordt door een genpatroon. En dat genpatroon maakt dat de levercel een levercel is en blijft en dat ook doorgeeft aan de dochtercellen. Dit genpatroon is erfelijk. Dat betekent dat bij de geboorte van een pup, niet alleen de goede genen moeten worden doorgegeven, maar ook de bijbehorende genpatronen. Als de verkeerde genpatronen doorgegeven worden dan kunnen er fouten in het 'bauplan' ontstaan. Zulke fouten kunnen zijn dat er geen lever wordt ontwikkeld. Of dat er binnen de lever sprake is van verschillende cellen die er eigenlijk niet horen.
Genpatronen ontstaan doordat de samenwerkende genen elkaar op het juiste moment 'aan' en 'uit' zetten. Als het 'aan' en 'uit' zetten niet op de juiste momenten gebeurt, komt er zand in de machine en kan een pup zich niet goed ontwikkelen in de embryonale fase of in zijn opgroeien. We weten inmiddels wel dat er genpatronen bestaan, maar hoe ze precies werken is nog onduidelijk. En waarom en wanneer het fout gaat wordt nog nader onderzocht.
Niemand heeft beloofd dat het gemakkelijk zou zijn.:-)
Abonneren op:
Posts (Atom)
