Van de rashonden fokker wordt tegenwoordig heel wat verwacht. Regelmatig horen we; 'Het is eigenlijk niet leuk meer. Je moet op zoveel letten. En dan nog kun je het soms fout doen.'
Maar rashonden fokkers hebben vooral te maken met een veranderende publieke opinie, in wiens ogen zij nu alles verkeerd doen. We horen zelfs al geluiden dat mensen juist NIET bij een erkende rashonden fokker gaan kopen, omdat alle rashonden ziek zijn. Zij gaan juist naar de 'broodfok' of naar particulieren.
Niet alleen is dat ontzettend jammer voor alle goedwillende rashonden fokkers, maar het klopt eenvoudigweg niet. Ten eerste moet er verschil gemaakt worden tussen de inspanningen van fokkers en rasverenigingen van verschillende rassen. Bij het ene ras wordt veel meer gedaan dan bij het andere ras.
Maar bovendien komen de honden van particulieren en van de 'broodfok' niet zelden uit dezelfde populatie als de officiƫle rashonden. Vaak zijn 'broodfokkers' zelfs ooit met met erkende rashonden van goede fokkers begonnen. Maar het belangrijkste is nog dat als het bij de erkende kynologie druppelt, het bij de particuliere fokkers en 'brood' fok regent.
Omdat er niets onderzocht wordt en alleen naar de buitenkant wordt gekeken bij de 'brood'fok, wil dat nog niet zeggen dat een hond van binnen ook gezond is.
Het is de eeuwige discussie. Als je iets niet weet of niets wilt weten en niets onderzoekt, dan betekent dat NIET dat er ook niets aan de hand is.
Goedwillende rasverenigingen WILLEN juist alles weten, zodat zij voor de toekomst verder kunnen met een gezonde populatie van hun geliefde ras. Daartoe verwerven zij kennis, overleggen zij met specialisten en proberen zij hun fokreglement aan te passen aan veranderende inzichten en nieuwe onderzoeken. Goedwillende rasverenigingen maken juist veel over hun ras bekend bij de pupkopers en hun aangesloten fokkers, omdat zij het GOED willen doen. Omdat ze vooruit willen met hun ras, en omdat zij hun pupkoper niet met problemen willen opzadelen. En goedwillende fokkers en rasverenigingen zoeken ook naar oplossingen voor de bekenden en nog onbekende problemen.
De CockerSpanielClub wil deze gedachtegang keren en zet zich met hart en ziel in voor hun geliefde Cockers. Een Cocker is voor het leven. En de meeste mensen die eens een Cocker hebben gehad, willen er nog een. En wel een gezonde, waar ze jarenlang plezier aan beleven.
Voor de goedwillende fokkers is het niet gemakkelijk. Van hen worden veel inspanningen en investering in tijd en geld gevraagd om aan de nieuwe standaard te voldoen. Bovendien is de materie van de genetica en vererving ontzettend moeilijk. Je moet er bijna voor gestudeerd hebben om het allemaal te begrijpen. En dus zullen we met de CockerSpanielClub proberen te blijven uitleggen hoe het zit.
Op dit blog communiceert de commissie google van de CockerSpanielClub wetenswaardigheden m.b.t. honden in het algemeen en de gezondheid van Engelse Cockers in het bijzonder.
zaterdag 10 november 2012
Hond als model voor humane wetenschap
Rashonden blijken steeds vaker een belangrijk model te zijn voor medische onderzoeken. Met name omdat rashonden over vele vele generaties op dezelfde (uiterlijke) kenmerken worden gefokt, zijn zij van groot belang bij het onderzoek naar de Mendeliaanse vererving van genen.
Maar honden blijken nu ook goed model te kunnen staan voor onderzoeken naar menselijke ziekten, zoals erfelijke nierkanker, en en aandoening genaamd narcolepsie.
Hoewel honden genetisch verder van de mens afstaan dan bijvoorbeeld muizen en ratten, hebben honden het voordeel dat hun generaties langer zijn. Honden leven langer en hun ontwikkeling lijkt meer op die van mensen qua tijd. Bovendien worden honden vaak in huis gehouden en zijn hun leefomstandigheden beter te vergelijken met die van mensen.
Maar het allerbelangrijkste is dat de verschillende rassen verschillende ziekten te zien geven. (Dit is het gevolg van homozygoten fokken op uiterlijk, waardoor de ziekten als het ware in verschillende rassen zowat homozygoot mee- vererven.)
Voor onderzoekers is dat juist een mooie aanleiding om een bepaalde ziekte of aandoening, die binnen een ras veel voorkomt te gaan onderzoeken op vergelijkingen en vererving bij mensen.
Denk bijvoorbeeld aan de onderzoeksopzet van Addisons disease aan de hand van Portugese waterhonden, als model voor mensen. Of aan een longaandoening die veel voorkomt bij Westland White terriers.
Toen de CockerSpanielClub overleg had met twee dierenartsen die zich ook willen hard maken voor de (inwendige) gezondheid van rashonden, kwam dit onderwerp ook ter sprake. Willen we bijvoorbeeld via de Stichting Spanielbreeders een bij (Cocker) spaniels vaak voorkomende aandoening onderzocht hebben, dan kunnen we proberen aan te haken bij onderzoeken naar ziekten bij mensen. MPP en coloboma zijn daar voorbeelden van, maar glaucoom zou ook een insteek kunnen zijn. Of misschien zelfs wel JRD.
We gaan het uitzoeken.
Maar honden blijken nu ook goed model te kunnen staan voor onderzoeken naar menselijke ziekten, zoals erfelijke nierkanker, en en aandoening genaamd narcolepsie.
Hoewel honden genetisch verder van de mens afstaan dan bijvoorbeeld muizen en ratten, hebben honden het voordeel dat hun generaties langer zijn. Honden leven langer en hun ontwikkeling lijkt meer op die van mensen qua tijd. Bovendien worden honden vaak in huis gehouden en zijn hun leefomstandigheden beter te vergelijken met die van mensen.
Maar het allerbelangrijkste is dat de verschillende rassen verschillende ziekten te zien geven. (Dit is het gevolg van homozygoten fokken op uiterlijk, waardoor de ziekten als het ware in verschillende rassen zowat homozygoot mee- vererven.)
Voor onderzoekers is dat juist een mooie aanleiding om een bepaalde ziekte of aandoening, die binnen een ras veel voorkomt te gaan onderzoeken op vergelijkingen en vererving bij mensen.
Denk bijvoorbeeld aan de onderzoeksopzet van Addisons disease aan de hand van Portugese waterhonden, als model voor mensen. Of aan een longaandoening die veel voorkomt bij Westland White terriers.
Toen de CockerSpanielClub overleg had met twee dierenartsen die zich ook willen hard maken voor de (inwendige) gezondheid van rashonden, kwam dit onderwerp ook ter sprake. Willen we bijvoorbeeld via de Stichting Spanielbreeders een bij (Cocker) spaniels vaak voorkomende aandoening onderzocht hebben, dan kunnen we proberen aan te haken bij onderzoeken naar ziekten bij mensen. MPP en coloboma zijn daar voorbeelden van, maar glaucoom zou ook een insteek kunnen zijn. Of misschien zelfs wel JRD.
We gaan het uitzoeken.
zondag 21 oktober 2012
Verervingpatroon van JRD Juvenile Renal Dysplasia
In feite is (J)RD een verzamelnaam voor nieraandoeningen die in bepaalde rassen voorkomt en leidt tot vroegtijdig overlijden van de hond/pup. Het komt in vele rassen voor, waaronder de Engelse Cocker, De Golden Retriever, het Kooikerhondje, en vooral in de Shih Tzu.
Dysplasia wordt gedefinieerd als de abnormale ontwikkeling van cellen en organen, vaak is al in aanleg in baarmoeder iets fout gegaan. Vandaar dat RD een erfelijke aandoening is. RD kenmerkt zich o.a. doordat foetale cellen in de nieren van het dier aanwezig blijven. Deze cellen verdwijnen niet na de geboorte en tijdens het leven van de hond. En dat is niet goed.
RD geeft een breed en versnipperd beeld aan ziekteverschijnselen te zien. In feite is er sprake van een wijde range die begint met dieren die de aandoening hebben, maar geen verschijnselen vertonen, tot aan dieren die dood ziek zijn en dood gaan voor het tweede levensjaar.
De wijze van vererving van (J)RD is onduidelijk en wordt bediscussieerd. Vooral ook omdat de verschijnselen (het fenotype) zo divers is. In feite kan de definitieve diagnose pas gesteld worden als een hond is overleden en zijn nieren zijn bekeken. Dan kan door autopsie vastgesteld worden hoeveel foetaal weefsel er in de nieren aanwezig is.
In een onderzoek bij Shih Tzu’s hebben ze dat gedaan. De vastgestelde afwijkingen waren:
1. Foetale glomeruli aanwezig in het volwassen dier
2. Door het lichaam ingezette veranderingen om de gevolgen van nierfalen te compenseren
3. Ontstekingen en afbraak van niercellen.
Er is geen significante verdeling gevonden tussen mannelijke en vrouwelijke dieren.
Dogenes stelt dat de aandoening dominant vererft met incomplete doordringing. Dit is weer zo’n term uit de genetica die verduidelijking behoeft. En ook hier moet onderscheid gemaakt worden tussen het ‘hebben van het gen’ en het tot ‘expressie komen van het gen’. Er zijn dus blijkbaar andere genen aan het werk, die maken dat het ‘foute gen voor RD’ NIET tot expressie komt.
En op zich is dat voor de fokkerij het grote probleem. We kennen en weten niet welke andere genen dat zijn, dus we kunnen er niet op selecteren.
Die andere genen (bij knikstaarten heet dat modifier genes) zwakken de fenotypische aandoening af, of zorgen ervoor dat deze niet doorzet. Wat Dogenes incomplete doordringing noemt is in feite de aanwezigheid van andere genen, die voorkomen dat RD als ziekte doorzet in het individu.
Voor de fokkerij is van belang dat we weten hoe hoog/groot de doordringing is, want dan kunnen we er op los gaan ‘rekenen’. Is de doordringing bijvoorbeeld 75%, dan weet je dat fokken met een RD dier (DNA test van Dogenes) tot 3 op de 4 puppen met RD leidt. Is de doordringing slechts 5%, dan kun je concluderen dat fokken met een RD dier weinig of geen nakomelingen geeft met RD. Dan raakt fokken aan ‘toeval’.
Dogenes geeft op haar website een doordringingpercentage aan van tussen 2-5%. Dat is dus erg laag. En wel zo laag, dat je je kunt afvragen of het wel zinvol is om te testen op RD. Het blijft in dat geval hoe dan ook een gok om met een dier zonder RD of met RD te fokken. Als je van RD af wilt heeft de test wel meerwaarde. Namelijk alle dieren met RD uit de fok, zodat er geen dieren meer geboren worden met RD. Maar als je test en toch blijft fokken, blijft het gokken op dezelfde manier als met ongeteste honden.
Uit het onderzoek van de Shih Tzu’s blijkt dat in de onderzochte populatie slechts 16% van de dieren geen foetale cellen te zien gaf. 52% had 1-5% foetale cellen, 20% van de populatie had 6-15% foetale cellen in de nieren en 12% meer dan 15% foute foetale cellen. De conclusie was dan ook dat in dit ras 84% van de dieren niet vrij was van foetale cellen, maar dat het merendeel nooit ontdekt wordt. Dat riep de vraag op hoe de genetische overdracht van RD eigenlijk is in wat we ‘normale gezonde’ honden noemen. Misschien heeft iedere hond wel in meer of mindere mate foetale cellen in de nieren?
Deze onderzoekers komen tot de conclusie dat hun resultaten (met expres inteelt e.d.) niet leiden tot een duidelijk verervingpatroon van RD. Honden met zeer lage percentages foetale cellen (0-5%) gaven niet louter nakomelingen met lage percentages. Zelfs fokdieren die vrij waren van foetale cellen gaven in de kruising nakomelingen met de aandoening. En een totale outcross met een poedel die vrij was, gaf juist een enorme verhoging te zien van de afwijking (4-10% foetale cellen in alle nakomelingen). Ook deze onderzoekers komen net als Dogenes tot de conclusie dat er sprake is van een dominante vererving met incomplete doordringing.
M.a.w. ook hier weten we nog te weinig van andere genen die een rol spelen bij de vererving van RD. Maar wel is duidelijk geworden dat (J)RD NIET louter Mendeliaans vererfd.
Dysplasia wordt gedefinieerd als de abnormale ontwikkeling van cellen en organen, vaak is al in aanleg in baarmoeder iets fout gegaan. Vandaar dat RD een erfelijke aandoening is. RD kenmerkt zich o.a. doordat foetale cellen in de nieren van het dier aanwezig blijven. Deze cellen verdwijnen niet na de geboorte en tijdens het leven van de hond. En dat is niet goed.
RD geeft een breed en versnipperd beeld aan ziekteverschijnselen te zien. In feite is er sprake van een wijde range die begint met dieren die de aandoening hebben, maar geen verschijnselen vertonen, tot aan dieren die dood ziek zijn en dood gaan voor het tweede levensjaar.
De wijze van vererving van (J)RD is onduidelijk en wordt bediscussieerd. Vooral ook omdat de verschijnselen (het fenotype) zo divers is. In feite kan de definitieve diagnose pas gesteld worden als een hond is overleden en zijn nieren zijn bekeken. Dan kan door autopsie vastgesteld worden hoeveel foetaal weefsel er in de nieren aanwezig is.
In een onderzoek bij Shih Tzu’s hebben ze dat gedaan. De vastgestelde afwijkingen waren:
1. Foetale glomeruli aanwezig in het volwassen dier
2. Door het lichaam ingezette veranderingen om de gevolgen van nierfalen te compenseren
3. Ontstekingen en afbraak van niercellen.
Er is geen significante verdeling gevonden tussen mannelijke en vrouwelijke dieren.
Dogenes stelt dat de aandoening dominant vererft met incomplete doordringing. Dit is weer zo’n term uit de genetica die verduidelijking behoeft. En ook hier moet onderscheid gemaakt worden tussen het ‘hebben van het gen’ en het tot ‘expressie komen van het gen’. Er zijn dus blijkbaar andere genen aan het werk, die maken dat het ‘foute gen voor RD’ NIET tot expressie komt.
En op zich is dat voor de fokkerij het grote probleem. We kennen en weten niet welke andere genen dat zijn, dus we kunnen er niet op selecteren.
Die andere genen (bij knikstaarten heet dat modifier genes) zwakken de fenotypische aandoening af, of zorgen ervoor dat deze niet doorzet. Wat Dogenes incomplete doordringing noemt is in feite de aanwezigheid van andere genen, die voorkomen dat RD als ziekte doorzet in het individu.
Voor de fokkerij is van belang dat we weten hoe hoog/groot de doordringing is, want dan kunnen we er op los gaan ‘rekenen’. Is de doordringing bijvoorbeeld 75%, dan weet je dat fokken met een RD dier (DNA test van Dogenes) tot 3 op de 4 puppen met RD leidt. Is de doordringing slechts 5%, dan kun je concluderen dat fokken met een RD dier weinig of geen nakomelingen geeft met RD. Dan raakt fokken aan ‘toeval’.
Dogenes geeft op haar website een doordringingpercentage aan van tussen 2-5%. Dat is dus erg laag. En wel zo laag, dat je je kunt afvragen of het wel zinvol is om te testen op RD. Het blijft in dat geval hoe dan ook een gok om met een dier zonder RD of met RD te fokken. Als je van RD af wilt heeft de test wel meerwaarde. Namelijk alle dieren met RD uit de fok, zodat er geen dieren meer geboren worden met RD. Maar als je test en toch blijft fokken, blijft het gokken op dezelfde manier als met ongeteste honden.
Uit het onderzoek van de Shih Tzu’s blijkt dat in de onderzochte populatie slechts 16% van de dieren geen foetale cellen te zien gaf. 52% had 1-5% foetale cellen, 20% van de populatie had 6-15% foetale cellen in de nieren en 12% meer dan 15% foute foetale cellen. De conclusie was dan ook dat in dit ras 84% van de dieren niet vrij was van foetale cellen, maar dat het merendeel nooit ontdekt wordt. Dat riep de vraag op hoe de genetische overdracht van RD eigenlijk is in wat we ‘normale gezonde’ honden noemen. Misschien heeft iedere hond wel in meer of mindere mate foetale cellen in de nieren?
Deze onderzoekers komen tot de conclusie dat hun resultaten (met expres inteelt e.d.) niet leiden tot een duidelijk verervingpatroon van RD. Honden met zeer lage percentages foetale cellen (0-5%) gaven niet louter nakomelingen met lage percentages. Zelfs fokdieren die vrij waren van foetale cellen gaven in de kruising nakomelingen met de aandoening. En een totale outcross met een poedel die vrij was, gaf juist een enorme verhoging te zien van de afwijking (4-10% foetale cellen in alle nakomelingen). Ook deze onderzoekers komen net als Dogenes tot de conclusie dat er sprake is van een dominante vererving met incomplete doordringing.
M.a.w. ook hier weten we nog te weinig van andere genen die een rol spelen bij de vererving van RD. Maar wel is duidelijk geworden dat (J)RD NIET louter Mendeliaans vererfd.
zaterdag 20 oktober 2012
Knikstaarten
De googlecommissie van de CockerSpanielClub heeft haar tanden gezet in de knikstaarten. De wetenschappelijke term is 'curly tail' (ct voor het gen). We hebben geen onderzoek gevonden over knikstaarten bij honden, maar wel voor muizen, dat volgens de onderzoekers hopelijk als medisch model kan gaan dienen voor mensen.
Hier worden de meest opvallende zaken uitgelicht. Onderzoekers hebben muizen met knikstaarten gekruist, zodat ze zeker wisten dat alle muizen van de ene populatie allemaal het ct gen voor knikstaarten hadden. Daarnaast was een controlegroep van muizen zonder knikstaarten. En het opvallende was dat in beide populaties (muizen met ct-ct en muizen zonder ct-ct) bij kruisingen ongeveer evenveel knikstaarten voorkwamen in de nakomelingen. De conclusie van het onderzoek was dat het zogenaamde knikstaart gen (ct) dus niet ALLEEN verantwoordelijk kon zijn voor het tot expressie komen van een knikstaart in een nakomeling. Wel is een correlatie vastgesteld tussen twee akelige aandoeningen (bij mensen o.a.) die heten: 1 exencephalic (een aandoening waarbij de hersenen buiten de schedel groeien tijdens de zwangerschap) en 2 polyhydramnios (een aandoening waarbij er veel te veel vruchtwater in de baarmoeder staat tijdens de zwangerschap, omdat de foetus te weinig vruchtwater drinkt en eet). De onderzoekers trokken een (omgekeerde) conclusie. Zij stelden dat deze aandoeningen gepaard gaan(!) met knikstaarten en dat knikstaarten dus NIET deze aandoeningen veroorzaken.
Een tweede onderzoek richtte zich op het uitzoeken van de mogelijk Mendeliaanse vererving van knikstaarten. Fokken met homozygote muizen gaf niet altijd en in alle nakomelingen knikstaarten. Dat was dus een raadsel. Voorlopig houden wetenschappers de vererving van knikstaarten op een multigenetische vererving, waarbij vooral modifier genen een belangrijke rol spelen.
Wat zijn modifier genen?
Om dit te kunnen begrijpen moeten we onderscheid maken tussen de aanwezigheid van het gen in het DNA en het tot expressie komen van het gen. Met tot expressie komen wordt bedoeld dat het gen werkt en zijn positieve/negatieve effect heeft op het hele organisme.
Nu blijkt dat het hebben van het ct gen, niet per definitie betekent dat het gen ook tot expressie komt. De onderzoekers vermoeden dat modifier genen hier een rol spelen. Modifier genen veranderen de expressie van andere genen. Zij zijn van invloed op de manier waarop en de mate waarin een (homozygote vorm van het gen) tot uitdrukking komt en zich in het uiteindelijk fenotype laat zien. Een modifier gen tempert in geval van knikstaarten dus het tot expressie komen van de afwijking. De onderzoekers zijn gaan zoeken naar dit modifier gen in muizen(!). Hun genoom is namelijk zeer goed in kaart gebracht. Maar daarover is nog geen uitsluitsel.
Wat wel geconcludeerd is is het volgende:
Op zich is curly-tail een recessief verervende aandoening, die in muizen spina bifida kan veroorzaken (in de ernstigste vorm). Maar om die aandoening tot expressie te laten komen in homozygoot ct moeten alle andere genen (waaronder alle modifier genen) in de meest slechte stand zijn vererfd en overgedragen. En aangezien deze modifier genen anders, en los van, en via andere (ook Mendeliaans) manieren vererven, moeten dus alle betrokken genen tegelijkertijd in de foute stand staan om de aandoening in optimale vorm tot een ziek fenotype te laten leiden. Aldus beschouwd zijn knikstaarten een zwakke vorm van een meer ernstige aandoening zoals spina bifida en hazenlippen. In positieve vorm kun je ook zeggen: honden met knikstaarten hebben de juiste modifier genen om spina bifida en hazenlippen te voorkomen. Wat dat voor de fokkerij betekent, gaan we nog verder uitzoeken.
Hier worden de meest opvallende zaken uitgelicht. Onderzoekers hebben muizen met knikstaarten gekruist, zodat ze zeker wisten dat alle muizen van de ene populatie allemaal het ct gen voor knikstaarten hadden. Daarnaast was een controlegroep van muizen zonder knikstaarten. En het opvallende was dat in beide populaties (muizen met ct-ct en muizen zonder ct-ct) bij kruisingen ongeveer evenveel knikstaarten voorkwamen in de nakomelingen. De conclusie van het onderzoek was dat het zogenaamde knikstaart gen (ct) dus niet ALLEEN verantwoordelijk kon zijn voor het tot expressie komen van een knikstaart in een nakomeling. Wel is een correlatie vastgesteld tussen twee akelige aandoeningen (bij mensen o.a.) die heten: 1 exencephalic (een aandoening waarbij de hersenen buiten de schedel groeien tijdens de zwangerschap) en 2 polyhydramnios (een aandoening waarbij er veel te veel vruchtwater in de baarmoeder staat tijdens de zwangerschap, omdat de foetus te weinig vruchtwater drinkt en eet). De onderzoekers trokken een (omgekeerde) conclusie. Zij stelden dat deze aandoeningen gepaard gaan(!) met knikstaarten en dat knikstaarten dus NIET deze aandoeningen veroorzaken.
Een tweede onderzoek richtte zich op het uitzoeken van de mogelijk Mendeliaanse vererving van knikstaarten. Fokken met homozygote muizen gaf niet altijd en in alle nakomelingen knikstaarten. Dat was dus een raadsel. Voorlopig houden wetenschappers de vererving van knikstaarten op een multigenetische vererving, waarbij vooral modifier genen een belangrijke rol spelen.
Wat zijn modifier genen?
Om dit te kunnen begrijpen moeten we onderscheid maken tussen de aanwezigheid van het gen in het DNA en het tot expressie komen van het gen. Met tot expressie komen wordt bedoeld dat het gen werkt en zijn positieve/negatieve effect heeft op het hele organisme.
Nu blijkt dat het hebben van het ct gen, niet per definitie betekent dat het gen ook tot expressie komt. De onderzoekers vermoeden dat modifier genen hier een rol spelen. Modifier genen veranderen de expressie van andere genen. Zij zijn van invloed op de manier waarop en de mate waarin een (homozygote vorm van het gen) tot uitdrukking komt en zich in het uiteindelijk fenotype laat zien. Een modifier gen tempert in geval van knikstaarten dus het tot expressie komen van de afwijking. De onderzoekers zijn gaan zoeken naar dit modifier gen in muizen(!). Hun genoom is namelijk zeer goed in kaart gebracht. Maar daarover is nog geen uitsluitsel.
Wat wel geconcludeerd is is het volgende:
Op zich is curly-tail een recessief verervende aandoening, die in muizen spina bifida kan veroorzaken (in de ernstigste vorm). Maar om die aandoening tot expressie te laten komen in homozygoot ct moeten alle andere genen (waaronder alle modifier genen) in de meest slechte stand zijn vererfd en overgedragen. En aangezien deze modifier genen anders, en los van, en via andere (ook Mendeliaans) manieren vererven, moeten dus alle betrokken genen tegelijkertijd in de foute stand staan om de aandoening in optimale vorm tot een ziek fenotype te laten leiden. Aldus beschouwd zijn knikstaarten een zwakke vorm van een meer ernstige aandoening zoals spina bifida en hazenlippen. In positieve vorm kun je ook zeggen: honden met knikstaarten hebben de juiste modifier genen om spina bifida en hazenlippen te voorkomen. Wat dat voor de fokkerij betekent, gaan we nog verder uitzoeken.
woensdag 19 september 2012
CPRA bij Engelse Cockers
CPRA, ook wel RPED genoemd, is een vorm van nachtblindheid. Het wordt verondersteld dat het verband houdt met het (erfelijke) onvermogen om vitamine E uit het voedsel op te nemen. Dat is een aantal jaar geleden onderzocht en inderdaad bleek het vitamine E gehalte in het bloed bij de CPRA cockers veel lager te zijn dan bij gezonde cockers. In Engeland is recent onderzocht dat oraal toegediende vitamine E bij honden met PRED wel gedeeltelijk opgenomen wordt, aangeraden wordt tweemaal daags een dosering van 600-900 iu tocopherol (dat is de wetenschappelijk naam van vitamine E)toe te dienen. Dus mocht er bij uw cocker beginnende CPRA vastgesteld worden helpt een hoge dosis van vitamine E te geven zodat het in ieder geval niet erger wordt.
woensdag 18 juli 2012
Clubdag van de CockerSpanielClub
Op 7 oktober 2012 is weer de Clubdag van de CockerSpanielclub. Vorig jaar was het erg gezellig en hebben we allemaal een leuke dag gehad.
Met name mensen die overwegen een CockerSpaniel pup te kopen, moeten deze datum even in hun agenda zetten. Er is van alles te beleven en er kan kennis gemaakt worden met alle aspecten van een Engelse Cocker.
Zoals trimmen, spelletjes doen, je hond laten keuren.
Maar er is ook een tombola, er kan gepuzzeld worden en de locatie leent zich voor een wandeling.
Speciaal voor (beginnende) fokkers willen wij wijzen op de mogelijkheid uw dier te laten aankeuren.
Hoewel andere verenigingen de kwalificatie 'fokwaardig' niet voldoende vinden om pupbemiddeling te geven, zijn en blijven wij met de CockerSpanielClub van mening dat fokwaardig is wat het is. Namelijk FOKWAARDIG op exterieur, anatomie en beweging. Wij willen daarom met name fokkers uitnodigen om hun voor de fokkerij bestemde dieren te laten aankeuren op deze Clubdag. Binnenkort is het formulier te downloaden van de website.
Met name mensen die overwegen een CockerSpaniel pup te kopen, moeten deze datum even in hun agenda zetten. Er is van alles te beleven en er kan kennis gemaakt worden met alle aspecten van een Engelse Cocker.
Zoals trimmen, spelletjes doen, je hond laten keuren.
Maar er is ook een tombola, er kan gepuzzeld worden en de locatie leent zich voor een wandeling.
Speciaal voor (beginnende) fokkers willen wij wijzen op de mogelijkheid uw dier te laten aankeuren.
Hoewel andere verenigingen de kwalificatie 'fokwaardig' niet voldoende vinden om pupbemiddeling te geven, zijn en blijven wij met de CockerSpanielClub van mening dat fokwaardig is wat het is. Namelijk FOKWAARDIG op exterieur, anatomie en beweging. Wij willen daarom met name fokkers uitnodigen om hun voor de fokkerij bestemde dieren te laten aankeuren op deze Clubdag. Binnenkort is het formulier te downloaden van de website.
vrijdag 17 februari 2012
Hondsdolheid in Nederland in 2012
Voor het eerst sinds 1991 is er in Nederland hondsdolheid (rabies) vastgesteld in Nederland. Het hondje is met een chip en gezondheidscertificaat uit Marokko naar Nederland gekomen. Zo zie je maar dat een chip en gezondheidspapieren niets voor hoeven te betekenen. Van de broodfok-pups uit het oostblok is al langer bekend dat er vaak met gezondheidspapieren gefraudeerd wordt en daar heerst ook nog altijd hondsdolheid.
Abonneren op:
Posts (Atom)